Paris Roubaix 2019

Om vijf uur wordt Parijs wakker volgens Jacques Dutronc. Wij kunnen beter en staan op om 4u30 om rond vijf uur te kunnen vertrekken met een mobile home richting Bussigny.

Wij, dat zijn Jan Schoofs, Jan Lavrijsen, Frederik Claeys en ikzelf. Bussigny, dat is de startplaats van de hel van het Noorden die we vandaag gaan temmen. Niet de volledige Parijs-Roubaix maar toch een meer dan behoorlijke 173 km en vooral met alle 29 kasseistroken, goed voor ruim 50 km porfierplezier.

 

De rit naar Bussigny verloopt voorspoedig. Onderweg wordt havermout, fruit, yoghurt, honing en notenmix in alle mogelijke combinaties verorberd, nog een uiltje geknapt en mentale rek- en strekoefeningen gedaan tot we een boogscheut voor Bussigny tegengehouden worden door twee officiële ‘gilets jaunes’. We mogen niet verder met de mobile home en moeten een omweg maken. Tien kilometer verder staat een nieuwe blokkade. En nog eén. We blijven verder omwegenen tot we uiteindelijk beslissen om ergens ten velde de fietsen uit te laden en naar de start te peddelen.

Het is nog berekoud op dat moment. De negatieve temperaturen zorgen weliswaar voor poëtische landschappen van bucolische eenvoud maar de vier laagjes textiel die we dragen zijn amper voldoende om ons ook maar enigszins warm te houden.

Na enkele kilometers fietsen, met gelukkig wat klimwerk zodat we warm krijgen, komen we aan in Bussigny. En wie zien daar nog steeds staan op wat amper 300 meter van de startplaats blijkt te zijn? De eerste ‘gilets jaunes’ die ons een omweg van een uur lieten maken. De eerste van vele vloeken die dag steeg ten Noord-Franse hemel.

 

We zijn vertrokken. Ik moet zeggen dat de tussenstroken van een uitstekende kwaliteit zijn en dat zal zo de hele dag blijven. Een heel verschil met onze wegen.

De eerste strook van twee sterren is een opwarmertje van 900 meter. De toon wordt onmiddellijk gezet door Frederik die van plan is om op elke strook alles en iedereen in de vernieling te rijden. Maar het dient gezegd, hoe sneller men de kasseien aansnijdt hoe beter, nou ja minder slecht, het bolt.

De stroken volgen zich nu op, drie sterren, vier sterren. Wat vooral opvalt en wat ik nog nooit zag op TV is dat de kasseistroken in het eerste derde van de rit bergop lopen. Dat maakt het allemaal nog wat interessanter.

Iets boven Denain komt de eerste vijfsterrenstrook, het alom gevreesde ‘Bos van Wallers’ en de ‘trouée d’Arenberg’.

Is dit onding echt zo erg als men zegt? Het antwoord is een volmondig ‘ja’. En toch geniet ik ervan omdat heel deze strook geschiedenis ademt. Op het licht aflopende bospad, want meer dan een pad is het eigenlijk niet, kan je Parijs-Roubaix niet winnen, daarvoor ligt ze te ver van de meet, maar je kan er alles verliezen. In Jan zijn geval betreft het zijn tweede reserveband waardoor hij in plaats van een nieuwe binnenband te plaatsen zeer old school aan de slag moet met plakkertjes en lijm voor zijn tweede ‘crevaison’ van de drie vandaag.

 

Na Wallers stomen we door en de ene na de andere mythische naam rolt voorbij: ‘Hornaing à Wandignies’, ‘Mons-en-Pévèle’ en natuurlijk als bijna laatste strook het beroemde ‘Carrefour de l’arbre’.

Bij veel deelnemers is het licht hier al even uit. Met doffe ogen proberen ze krampachtig net voldoende snelheid te maken om niet omver te vallen.

En dan is het gedaan. We rijden we het troosteloze Roubaix binnen. We zijn nog met z”n vieren en stilzwijgend weten we dat we straks gaan sprinten in de vélodrome. De spanning bouwt zich op. We banen ons een weg tussen de auto’s in de file en dan draaien we ze op, de piste van Roubaix. Frederik neemt de kop met Jan L in zijn wiel, ik besluit om hoogte te nemen. En dan ontploft het, Frederik zet aan en neem onmiddellijk twee lengtes op Jan, ik zie het gat en duik erin maar op dat ogenblik wurmt Jan L er zich nog tussen. Ik wijk uit, tik Jan’s wiel aan en maak gelijktijdig kennis met verschillende wetten van de fysica: de traagheidswet en de vooral de zwaartekracht.

Na zo’n val aan ruim 40km/h duurt het altijd enkele seconden voor je kan besluiten dat er niets gebroken is. Ook mijn fiets komt heelhuids uit de tuimelperte. Mijn gluteus maximus zal nog enkele dagen stijf zijn maar dat is het dan ook.

We zijn moe, bestoft, blij, dorstig, en vooral een heel klein beetje een held.

Ik probeer wat te rusten onderweg want morgen loop ik een trail van 20 kilometer in het Zoniënwoud maar dat is voor een ander verslag.